De Aäronitische zegen
God geeft aan Mozes de tekst door van de zegen die Aäron en zijn nakomelingen aan het volk moeten opleggen. We noemen dit de Aäronitische zegen. We vinden deze Aäronitische zegen in Num. 6:22-27
De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: “Moge de HEER u zegenen en u beschermen, moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.” Wanneer zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’
God Zelf geeft deze tekst aan de hogepriester om de zegen uit te spreken over Zijn volk. Velen zullen deze tekst kennen omdat ook in veel kerken deze tekst een rol speelt in de liturgie. Het is een tekst met een rijke betekenis en een poëtische formulering.
De Hebreeuwse tekst met transliteratie en woord-voor-woord vertaling ziet er als volgt uit:
יְבָרֶכְךָ יהוה וְיִשְׁמְרֶךָ׃
yivarechecha Adonai viyishmirecha
Hij zegent u / de HEER / en Hij beschermt u
יָאֵר יהוה פָּנָיו אֵלֶיךָ וִיחֻנֶּךָּ׃
ya’er Adonai panav elecha veechuneka
Hij doet schijnen / de HEER / Zijn aangezicht / over u / en Hij geeft genade
יִשָּׂא יהוה פָּנָיו אֵלֶיךָ וְיָשֵׂם לְךָ שָׁלוֹם׃
yeesa Adonia panav elecha viyasem lecha shalom
Hij heft op/ de HEER / Zijn aangezicht / over u / en Hij stelt / voor u / vrede
Het eerste dat opvalt is het aantal woorden. De eerste regel bevat 3 woorden, de tweede 5 en de derde 7 woorden. Zo wordt zichtbaar dat de zegel door de hogepriester over het volk verspreid wordt.
Een ander opvallend kenmerk is dat in het Hebreeuws van elke zin steeds het tweede woord de naam van God is. Daardoor ontstaat er een bepaald ritme in de zegen. Dat ritme wordt nog versterkt door het feit dat elke zin met een vergelijkbare klank begint. In de transliteratie is dat ook te zien (yivarechecha, ya’er, yeesa).
De tekst begint met het woord ‘zegenen’, en eindigt met het woord ‘vrede’. In het Hebreeuwse taalgebruik zijn dit twee kanten van dezelfde medaille. Deze twee begrippen horen nauw bij elkaar. De zegen is dat wat God geeft, de vrede is dat wat wij als gevolg daarvan ontvangen.
Elke zin heeft twee werkwoorden. In de eerste regel wordt gesproken over zegenen en beschermen. In de tweede regel wordt gesproken over God die zijn aangezicht over ons doet schijnen. Het gaat hier om een Hebreeuwse uitdrukking. Hier staat eigenlijk dat God naar ons glimlacht, en dan in positieve zin, als een uitdrukking van toenadering. Daarnaast wordt gesproken over de genade die God geeft. In de laatste zin komen we de uitdrukking tegen dat God Zijn aangezicht verheft. Opnieuw een typische Hebreeuwse zegswijze. Het betekent dat God ons een gunst verleent. En het eindigt met de vrede (‘sjaloom’) die God geeft. Hier wordt een wat minder gebruikelijk werkwoord gebruikt voor het geven van de vrede (‘Hij stelt voor u’), zodat de klank van de derde regel past bij de eerste en tweede regel (achtereenvolgens viyishmirecha, veechuneka en viyasem).
Zo bevat deze zegenbede zes uitdrukking die aangeven wat God ons wil geven. Het begint met de zegen die God geeft, en eindigt met de vrede die wij ervaren. Het Hebreeuwse woord ‘sjalom’ doelt op de overvloed die God geeft. Hij geeft alles wat wij nodig hebben.
Deze zegen is de eeuwen door gebruikt om Gods volk te zegenen. Vanaf de eerste hogepriesters. In de periode van de eerste tempel. En de tweede tempel. En onder christenen. Als we ons dat realiseren dan beseffen we dat we in een zeer lange traditie staan als we ook met deze zegen Gods volgelingen mogen zegenen.
Bas Krins – oktober 2026